De T-Rex lag onder de palm en keek tevreden rond. Wat een fijne wereld! Hij was sterker, groter en ouder dan alle andere dieren. Iedereen was het altijd met hem eens. En zo niet, HARDE BRUL, dan toch. Geen betere plek dan aan de top van de voedselpiramide.

‘Hallo!’ zei de kip. ‘Meneer T-Rex, sorry dat ik u stoor tijdens uw middagslaapje, maar ik denk dat ik een bijzondere innovatie heb bedacht, en daar wil ik het graag eens met u over hebben. Het heet evolutie.’ ‘Moehahaha’, lachte de T-Rex en riep zijn vrienden erbij. ‘Moet je nou toch kijken; mevrouwtje Kip hier denkt dat ze is gevolleerd.

‘Nee,’ zei de kip, ‘geëvolueerd! Ik heb wat accessoires toegevoegd aan mijn lijf om een betere overlevingskans te hebben.’

‘Nou,’ zei de T-Rex, ‘dat is dan mooi mislukt. Wat ben je toch klein.’

‘Ja,’ lachten de andere dino’s, ‘wat ben jij een klein onderkruipsel. Wat heb je daar voor potsierlijke dingen aan je kont hangen?’ ‘Dat zijn veren’, zei de kip. ‘En wat zijn dat voor lijpe flappen die je aan de zijkant hebt geplakt? Hahaha.’ De dino’s grepen hun dikke buiken vast terwijl ze door het zand rolden.

‘Dat zijn mijn vleugels’, zei de kip. ‘Daarmee ga ik leren vliegen.’ De reuzen veegden inmiddels de tranen uit hun ooghoeken. ‘Vliegen. Hoe schattig, een grappig nieuw verzin-woordje. Wat een kostelijke middag,’ schuddebuikte de T-Rex, ‘ik heb in eeuwen niet zo gelachen. U bent een fantastische grappenmaker, mevrouwtje Kip.’

‘Fijn dat jullie erom kunnen lachen’, antwoordde de kip. ‘Maar ik bedoel het eigenlijk niet als een grapje. Vliegen is echt heel bijzonder. Ik kan in de lucht hangen.’

‘Onmogelijk. Dieren kunnen niet in de lucht hangen. We zijn geen wolken.’ De rest knikte instemmend: ‘Nee, dieren kunnen niet in de lucht hangen.’

‘Toch, toch’, zei de kip. ‘Ik ben klein, dus ik ben heel licht. Ik heb veren, om de wind mee te vangen. En met mijn vleugels kan ik sturen.’

‘Leugens!’ brulde de T-Rex. ‘Nu heb je wel genoeg gejokt, mevrouw Kip. Ik loop hier al miljoenen jaren rond. Nog nooit heb ik een dier gezien dat kan vliegen. Hier, ik wapper met mijn voorpoten. Zie je het? Vlieg ik al? Dat lijkt me wel genoeg bewijs, nietwaar mevrouwtje?’

‘Trouwens, al kon je vliegen. Wat heb je aan dat nieuwerwetse gedoe? Alle eten loopt hier gewoon op de grond. Er is niks, echt helemaal niks, te halen daar in de lucht.’

‘Kipje, ik geef je één advies’, zei de T-Rex tot slot. ‘Als jij nou eerst eens fatsoenlijk leert rennen en een kilootje of 2000 zwaarder wordt voor je allemaal dingen gaat bedenken waar echt niemand op zit te wachten. Dan kunnen wij rustig verder met waar we de afgelopen miljoenen jaren mee bezig zijn geweest. De wereld overheersen. Zo, en nu oprotten met je innovatie. Evolutie, laat me niet lachen.’

Dit wil ik delen!

AUTEUR

Dr. Loes Keijsers (1982) is wetenschapper en werkzaam als universitair docent. Ze studeerde Biologie aan de Universiteit Utrecht (specialisatie gedragsbiologie en wetenschapscommunicatie) en promoveerde op onderzoek naar opvoeding en criminaliteit bij pubers. Daarnaast is ze tafeldame bij Omroep Venlo en L1. Bij TEDx Venlo is ze sprekerscoach. Sinds 2011 woont ze in Venlo.