Oops! It appears that you have disabled your Javascript. In order for you to see this page as it is meant to appear, we ask that you please re-enable your Javascript!
 

Vriendin N. appte me om vijf uur.
‘Lieverd, ik heb zin om even met je te lopen.’
Mijn maag, op weg naar een berg gemarineerde speklappen protesteerde, maar mijn ziel zei: ‘Ja.’
‘Ik kom eraan’, luidde mijn antwoord. 

De wandeling in het winterse middagdonker voerde ons langs het ziekenhuis. ‘Kijk’, wees ik met mijn knikkende hoofd. ‘Daar ben ik geboren.’ Enkele meters daarna, de tour vervolgend: ‘En daar heb ik mijn vader voor het laatst gezien.’
Een korte, respectvolle stilte werd gevolgd door een diepe zucht. ‘Grappig hoe begin en eind zo naast elkaar liggen.’ Ik staarde in willekeurige richting de oneindigheid in, op zoek naar antwoorden op levensvragen. Vriendin N. pakte me stevig vast. ‘Waar denk je aan?’, vroeg ze zorgzaam. Een nieuwe zucht verliet mijn ziel. ‘Aan misschien wel het pijnlijkste moment in mijn leven. Nee,’ mezelf meteen verbeterend, ‘zéker het pijnlijkste moment.’
‘Wat dan precies?’, peilde ze, hopende mijn hart te bevrijden.
De eerstvolgende stop was de niet nader te benoemen supermarkt in Zuid voor de queeste naar de speklap. ‘Vind je het goed dat ik daar mee wacht tot we thuis zijn?’ Ze stemde geruststellend in. 

Eenmaal thuis, binnen de veilige muren van mijn prinsessentoren, durfde ik haar voor het eerst weer in de ogen aan te kijken.
Maar dat was van korte duur. Ik schoot meteen vol. Een brok in mijn keel. Stilzwijgend knuffelde haar blik mijn gebroken hart. Zuchtend verbaasde ik me over hoe kwetsbaar ik me durfde te voelen bij haar. En meteen realiseerde ik me hoe eng dat was en is, maar fijn des te meer.
Een cocktail van emoties voerde me naar de bank. Zodra ze bij me kwam zitten en onze ogen elkaar vonden, parelden de tranen over mijn trieste wangen. ‘Gaat het wel, schat?’
Door de tralies van waterlanders schudde ik nee, hongerig op zoek naar bevrijding.
‘Wil je het wel vertellen?’, vroeg ze. ‘Het hoeft niet, hè?’, me een alternatief gunnend dat ik besloot af te wijzen.
‘Ik ga het proberen.’ 

Het was de dag vóór de crematie. Een woensdagochtend. 3 februari 2016.
Vaders lag opgebaard in de kist – in typerende kleding, uitgekozen door zuslief. Een samenkomen van familie en vrienden op vrijwillige basis: sommige kozen ervoor aanwezig te zijn, andere bespaarden zich de heftige confrontatie liever. Geen goed en geen fout in deze.
Zus was daar met haar man en dochter, samen met mij en beste vriend I. die ik al sinds mijn derde ken. 

Daar lag hij dan, in zijn kist, netjes opgebaard voor het bijna laatste afscheid. Het laatste afscheid waarbij je naar hem kon kijken. Uit respect nam beste vriend I. als eerste afscheid van pap om hem dan achter te kunnen laten met zijn familie. I. liep naar voren, bedankte hem voor alles middels een aai over zijn hand.
Secondes later brak hij emotioneel. Ik, hem nog nooit zo gezien hebbend, brak ook. Een pure omhelzing volgde – tot op de dag van vandaag ben ik oneindig dankbaar voor zijn aanwezigheid die ochtend. Al snel dwong mijn lichaam me naar mijn vader te lopen, angstig en nieuwsgierig tegelijk om erachter te komen wat er net met I. gebeurde.
Ik keek mijn vader liefdevol aan, fluisterde hem een laatste vaarwel toe en pakte zijn rechterhand vast.
En toen voelde ik het. 

Dood.

IJskoud.
Je wil het niet voelen, maar je moet wel. Het was dan en daar, op dat moment, dat ik de dood voelde, in de belichaming van mijn dierbare vader. Tijdens de aanraking voelde ik mezelf een fractie van een seconde ook dood en weer in dezelfde dimensie als die van mijn vader.
Angstaanjagend en fijn tegelijkertijd. 

Ik keer terug naar de bank waar N. me zieldoorborend aankijkt. Een nieuwe zucht volgt. Maar van een ander kaliber ditmaal. Ik voel me bevrijd. Bevrijd van mijn diepste pijn.
Rouwen is niet leren wachten tot de pijn voorbij is. Die pijn gaat nooit weg. Rouwen is leren de pijn te accepteren. Omhels de pijn en laat de tranen en liefde vloeien.
Verlicht bedank ik N. dat ik zo kwetsbaar kan zijn bij haar. Een eng gevoel, maar fijn des te meer.

Het is vandaag precies drie jaar geleden.
Pap,
wao desse noow auk meugs zien:
geneet d’r van,
dink aan thoés
en doot ze bôks aan.

Ik mis dich

Dit wil ik delen!

AUTEUR

Richard Janssen (1989) is tientalig foodie, docent, en journalist. Zowel werkzaam bij de Volksuniversiteit, Dagblad de Limburger, als Scelta, schrijft en kookt Ricci daarnaast voor Krag.nu. Hongaars van bloed en Italiaans van hart houdt de bourgondiër pur sang zich het liefst bezig met taal, sport, cultuur, reizen, muziek en zijn favoriete moment van de dag: het avondeten.

Reageren