Zondag 4 september, rond een uur of een. Ik sta op een doorweekt knollenveld in Beringe met nog geen tien toeschouwers langs de lijn. Wat op zich niet vreemd is, want het regent pijpestelen en, laten we eerlijk zijn, een bekerduel tussen BEVO 2 en VVV’03 2 staat nu eenmaal niet op de prioriteitenlijst van de gemiddelde voetballiefhebber. Enfin. Het staat al 3-0 – of 3-1, ik weet het niet precies meer, de wedstrijd leek in elk geval gespeeld – en vanaf de rand van de zestien wordt er een venijnig schot gelost op doel. Míjn doel, dus ik moet in actie komen, ook al is het alleen maar voor de statistieken en het gevoel dat ik erger heb voorkomen. De bal snelt naar de linkerbenedenhoek, stuit een keer verraderlijk en maakt vervolgens kennis met mijn rechterhand. ‘Yes, díe heb ik’, denk ik euforisch, terwijl de bal van richting wordt veranderd en een van mijn verdedigers het gevaar definitief afwendt.

Een paar seconden later. Een stram gevoel in mijn wijsvinger. Ik probeer ‘m te bewegen, maar dat gaat maar half. ‘Gewoon doorspelen, het zal niet veel zijn’, praat ik op mezelf in.

Dan een hoekschop. Het glibberige leer komt mijn kant op, ik moet uitkomen. Ik bal mijn handen tot twee vuisten, breng ze naar elkaar en stomp mijn vriend én vijand zo ver mogelijk weg. Dat had ik beter niet kunnen doen. Ik zak naar de grond (lees: modder) en verbijt de stekende pijn, of hoe ik de sensatie in mijn vinger ook omschrijven moet. De scheidsrechter legt het spel stil, ik trek mijn keepershandschoen met alle moeite uit en verkoel mijn opgezwollen lichaamsdeeltje in de op het veld gebrachte waterzak.

“Kun je door?”, vraagt de scheids een á twee minuten later. “Ja”, antwoord ik manhaftig. De wedstrijd duurt niet lang meer en ik ben in de veronderstelling dat ik hooguit een gekneusde vinger heb. Geen probleem, gewoon even ontzien toch?

Zo’n twintig minuten daarna staat het 5-1 en zitten de 90 minuten er gelukkig op. Ik schud de tegenstander de hand met links en ontvang een blok ijs ter verkoeling. Na het douchen krijg ik daar nog een ongevraagde, maar goedbedoelde tip bij: “Als het morgen nog dik is en pijn doet, ga dan naar de huisarts.” Ik knik ja, maar denk: ‘Dat zal wel niet nodig zijn.’

Een etmaal later zit ik ’s avonds bij mijn vriendin op de bank. Hoewel de bont en blauwe blessure er niet beter op is geworden, heb ik die dag geen dokter gezien. Mijn bezorgde meid vertrouwt het zaakje niet en oppert dat het beter is als ik er zo snel mogelijk door een professional naar laat kijken. “Oké schat”, mompel ik, nog steeds in de overtuiging dat het niet hoeft.

Dat het toch af en toe goed is om naar de vrouw te luisteren, blijkt de dag erna. Mijn huisarts verwijst me door naar het ziekenhuis, omdat hij een breuk niet kan uitsluiten. Het is een zet in de goede richting; op de röntgenafdeling zien ze het meteen: het onderste botje is diagonaal doormidden en een fractie verschoven. “Hoe heb je dát gedaan?!”, vraagt de ‘fotografe’. “Met keepen”, antwoord ik, en word met een hangend pootje doorgestuurd naar de Eerste Hulp.

Inmiddels zijn we bijna twee maanden verder, heb ik een paar weken met gips rondgelopen en kreeg ik onlangs het bericht dat ik pas na de winterstop weer op doel mag. Volledig herstel zou nog tot een jaar kunnen duren.

Kon ik maar even met mijn vingers knippen zodat de tijd wat sneller gaat.

Dit wil ik delen!

AUTEUR

Sven Poels (1988) is journalist en tekstschrijver. Hij studeerde af in de Cultuur- en Wetenschapsstudies aan de Universiteit Maastricht en werkt als freelance verslaggever voor Dagblad De Limburger. Daarnaast publiceert hij geregeld voor Peel & Maas en Asbestslachtoffers Vereniging Nederland. Zijn specialisaties zijn sport, cultuur, politiek en maatschappelijke thema's.

Reageren