Het kwam door een film waarin een peuter op een pony een ritje langs het strand maakte. ‘Dat is echt iets voor mijn kinderen’, dacht ik, en op internet vond ik een manege op Vlieland die in de zomervakantie speciale instructieweken gaf. Niet veel later had ik alle vijf de meisjes aangemeld, en vouwwagen Kiekeboe op camping Stortemelk voor een periode van drie weken gehuurd. De knisperfrisse fascinatie voor het onbekende gaf me kippenvel: in nog geen uur tijd had ik een vakantie geregeld die compleet anders was dan de afgelopen vijftien jaren, waarin ik de zomers met de kinderen had doorgebracht in het huis van mijn ouders in Spanje. 

De reis was één groot avontuur: na ruim vijf uur sjouwen in trein en bus stonden we in de haven van Harlingen, waar ik zenuwachtig trillend en stotterend aan de conducteur uitlegde dat ik verkeerde boottickets had gekocht. Deze schudde meewarig zijn hoofd en dacht bij zichzelf: ‘de meeste relaties sneuvelen vlak voor de vakantie, geen wonder dat zij alleen op reis is met haar kinderen’. En zonder ook maar één blik op de tickets te werpen liet hij ons passeren. 

In de haven van Vlieland maakten we kennis met de eilandcultuur. Auto’s waren niet toegestaan, hooguit wat locals verplaatsten zich op vier wielen. Bagage werd door Bob (een rasechte, uit Amerika overgewaaide cowboy) met paard en wagen naar de camping gebracht. Onder het toeziend oog van een groepje Vlielanders op leeftijd werd alles, maar dan ook werkelijk alles, op karren geladen. De kleinste kinderen werden met een ferme zwiep bovenop gezet en húp, in colonne trok de stoet naar de camping. We keken onze ogen uit: karrenvrachten vol met surfspullen, visnetten, torenhoge stapels aan koffers en andere bagage, fietsen in allerlei soorten en maten. Het leek wel Shibuya Tokyo, het drukste kruispunt ter wereld waar elke keer als het voetgangerslicht op groen springt 2500 mensen oversteken. Alles en iedereen krioelde door elkaar, mensen vielen elkaar in de armen onder het slaken van uitbundige kreten of in een stilte die alleszeggend was.

Alles was nieuw, en zo anders. De kinderen leerden paardrijden, we zagen zeehonden in het avondlicht en bekeken het skelet van een aangespoelde potvis in het museum. We struinden door de bossen en wandelden ‘de punt om’. Vlieland betoverde ons, zoals vele anderen die door met ‘eilandvirus’ waren besmet. Seizoensplekken of beschikbare tenthuizen op de camping werden generaties lang aan elkaar doorgegeven. Het feit dat ik de vouwwagen Kiekeboe zo vlak voor de zomer had kunnen huren was achteraf gezien een duidelijk signaal…

Ik wilde met de kinderen naar de Vliehors, de immense zandvlakte waar zich het Drenkelingenhuisje bevond. Vroeger fungeerde dit als vluchtplaats voor gestrande schipbreukelingen, nu was het met alle aangespoelde voorwerpen en flessenpost ingericht als juttersmuseum. Omdat de fietsen die bij de vouwwagen hoorden in zo’n erbarmelijk slechte staat waren dat ik ze eerder die week langs de kant van de weg had laten staan, had ik andere gehuurd. Het was prachtig weer, en opgetogen fietsten we weg, Kind Vijf parmantig achterop met de duim in haar mond. Na een minuutje of tien begon het te miezeren, en het duurde niet lang voordat de regen gestaag op ons neer viel. Ik probeerde de moed erin te houden door de kinderen te wijzen op de prachtige natuur om ons heen, ware het niet dat we inmiddels geen hand voor ogen meer konden zien door de nu heftige regenval. Uiteindelijk kwamen we op de Vliehors aan. Als een stel verzopen katten poseerden de kinderen en nadat ik de foto had gemaakt zag ik in de zoeker van mijn camera beweging.

Er reed een bus over het strand waar mensen in zaten die vriendelijk lachend naar ons wuifden.

Dapper zwaaiden mijn kinderen terug, ondertussen woeste blikken op mij werpend en Kind Drie siste tussen haar tanden door: ‘Een bus? Er gaat hier een bus naartoe? En jij laat ons fietsen?’

Het restaurant waar we iets hadden willen gaan drinken was dicht. Ik beloofde ze daarom warme chocolademelk in het dorp en met de moed der wanhoop begonnen we aan de terugreis van zeventien kilometer. Terwijl de regen venijnig in mijn gezicht sloeg, flitsten beelden uit de bioscoopfilm De hel van ’63 door mijn hoofd. We kwamen aan op de dijk in het dorp. Ik fladderde met mijn wimpers in een poging iets te zien en slaakte toen een ijselijke kreet: er stond een levensgrote zeearend voor mijn neus, klaar om ons aan stukken te rijten en, samen met al zijn vriendjes, op te eten! Als feestmaal. Ons laatste uur had geslagen! We zouden eindigen als een krantenartikel in alle dagbladen van Nederland! 

Het was een bronzen beeld, geplaatst op een oude meerpaal.

Het kwam niet meer goed. Alle café’s in het dorp waren dicht. We besloten naar de Bolder, het restaurant op de camping, te gaan. Daar was ik bijna twintig minuten bezig om alle laarzen en drijfnatte sokken uit te trekken. We lieten een spoor van water na toen we in een hoek bij elkaar ploften en bij de bediening onze bestelling plaatsten: vijf bekers warme chocolademelk met slagroom, en een kopje koffie. Ik dacht dat ik het niet goed hoorde toen de serveerster zei dat het apparaat kapot was en dat er geen warme dranken gemaakt konden worden, maar wilden we misschien…

Mekkerdemekkerdemekkerdemekkerdemek.

Wat ze als alternatief aanbood hoorde ik niet meer, ik was woest grommend en op blote voeten naar buiten gevlogen. Bij de tent aangekomen was de droogmolen omgevallen en alle schone kleding lag zielig weg te soppen in een grote modderpoel. Binnen bleek alles kleddernat. Het was duidelijk waarom de Kiekeboe zo vlak voor de zomer nog te huur was geweest: de tent was zo lek als een zeef. 

Wat wel goed kwam, was onze band met dit eiland. Vlieland heeft zo’n magische aantrekkingskracht dat we elk jaar terugkeren, om met elkaar en onze vrienden te zijn. In de loop der jaren zijn de kinderen van peuters op de knutselclub opgegroeid tot jonge mensen die tot diep in de nacht in dansclub de Stoep rondhangen, om vervolgens een kampvuur op het strand te maken, wachtend tot de zon op komt. Ook deze zomer waren we samen, met onze geliefden en vrienden en we stuurden een kaart met tekening en tekst naar het thuisfront, om een klein stukje eilandgeluk te delen:

Breng woorden vol gedachten

Naar het lege, stille strand

Schrijf ze duizend stille malen

Tussen duizend korrels zand

Dit wil ik delen!

AUTEUR

Luca van Wersch (1967) is niet onder één noemer te vangen. In 1992 kwam ze in Venlo terecht om films te maken. Ze gaf kookles, maakte danschoreografieën en schreef het boek 'Duizend Lijntjes in mijn hoofd', waarin ze fotografie en tekst op een poëtische manier verpakt. In 2008 werd er een tumor in haar hoofd ontdekt. Over alle ervaringen rondom ziek zijn schreef ze blogs voor Media Groep Limburg.

3 reacties

  1. Hans en Ria van Wersch op

    Inderdaad, alweer een prachtig verhaal. Zo goed geschreven, dat je het gevoel, krijgt er zelf bij te zijn.
    Mooi zo. We hebben het met veel plezier gelezen.

    Hans en Ria

Reageren