Oops! It appears that you have disabled your Javascript. In order for you to see this page as it is meant to appear, we ask that you please re-enable your Javascript!
 

‘Wat gezellig om eens op een doordeweekse ochtend hier te zijn!’ Verloofde, de vriend van Kind Twee, gooit zijn tas in de hoek en geeft me een immense knuffel. Hij is ongeveer twee meter lang, en als hij me vasthoudt voel ik me breekbaar en oersterk tegelijk. Kind Twee holt de trap op om haar tas te pakken, ze gaan weer naar Arnhem. Daar hebben ze elkaar leren kennen: Verloofde studeert aan de School van het Nederlandse lied, Kind Twee aan de Nederlandse Musical Academie. Ik zet water op voor koffie en duik weer achter de snijtafel, waar ik onverstoorbaar doorga met het hakken van champignons. Snuffelend loopt Verloofde rond, pakt hier en daar iets op en vraagt dan: ‘Waarom liggen hier in godsnaam zoveel groenten?’ Ik kijk op en laat mijn blik gaan over de vijftien kilogram groenten die voor mijn neus liggen. Met een lachje knik ik richting weekbord: ‘Soepbusdag vandaag, Verloofde’. ‘Ach, dat klopt, daar heb ik wel eens iets over gehoord. Wat houdt dat precies in, behalve dat je een belachelijk hoop groenten te verwerken hebt?’

Terwijl hij ‘slow coffee’ maakt (zo heet dat tegenwoordig met een hippe term: bonen malen, in een filter doen en opgieten met kokend water) vertel ik dat ik sinds anderhalf jaar vrijwilligerswerk doe voor het Leger des Heils, afdeling Soepbus Venlo. Het is een team, waar in vriendschap en met hart voor de zaak wordt samengewerkt. Ik bedenk op basis van het seizoen een soep barstensvol smaak en vitamines, en schrijf dan boodschappenlijsten. Vriend P. heeft het als ‘bekende Veldenaar’ voor elkaar gekregen dat we gesponsord worden door een niet nader te noemen plaatselijke supermarkt, plantencentrum en een handjevol biologische tuinders. Wekelijks sleept hij karrenvrachten groenten en toebehoren mijn huis in, waarna ik ermee aan de slag ga en een lekker soepje in elkaar knutsel. Nou ja, soepje…

Het zijn gemiddeld tachtig mensen per keer die door Team Soepbus Venlo van eten worden voorzien. Dan schuiven er nog eens twintig mensen wekelijks aan bij de Solidariteitsmaaltijd van de Jongerenkerk. Die nauwelijks te tillen pan wordt vlak na de middag bij mij opgehaald door Team Soepbus Venlo en zij delen het op vaste punten in de stad en omgeving uit. Daklozen, zwervers, mensen met weinig inkomen: iedereen die de weg weet te vinden krijgt soep. En anders vinden wij wel de weg naar hen.

‘Ik kan me niet voorstellen dat je zo afglijdt dat je op straat komt te wonen, ik zou het nooit zo ver laten komen’, zegt Verloofde, terwijl hij een kopje koffie bij me neerzet en op de kruk tegenover me ploft. Even blik ik naar hem: hij is een heel intelligente jongen met een groot hart. Een oude ziel. Ik kan hem vertellen over het psychologische nature and nurture principe: dat wie we zijn alles te maken heeft met je fysiologische oorsprong (eicel, zaadcel, DNA en genen), in combinatie met je opvoeding en leefomgeving. Dat deze twee factoren een belangrijke rol spelen in de uiteindelijke intelligentie en persoonlijkheid van een individu. Aansluitend kan ik best met hem een boompje opzetten over tabula rasa, de theorie van Aristoteles, dat we als onbeschreven blad geboren worden. Echter: ik kan hem ook de verhalen vertellen, over de mensen die op straat leven. Ik besluit tot het laatste, leg mijn snijmes aan de kant en graaf in mijn geheugen.

De eerste die me te binnen schiet is een man, die door het plotselinge overlijden van zijn vrouw, zó vol verdriet zat, dat hij letterlijk niet meer van de bank kwam. Zijn werk als bankdirecteur verzaakte hij, afspraken kwam hij niet meer na. De post belandde ongeopend op een stapel, telefoontjes van bezorgde kinderen en vrienden werden niet beantwoord. Drank werd zijn beste vriend. In een half jaar tijd raakte hij alles kwijt: zijn geliefde, zijn werk, zijn huis, zijn vrienden en familie, en bovenal zichzelf. Vanaf dat moment leefde hij op straat.

De tweede waar ik aan denk, is iemand die ik behoorlijk goed heb leren kennen. Zes jaar geleden, tijdens een snikhete zomer stond er voor de HEMA een groepje mensen te kijken naar een man die op de grond lag en volgens deze omstanders ‘te vies was om aan te pakken’. Daar zouden ze vanuit hun optiek best gelijk in kunnen hebben, maar hij lag wel dood te gaan. De kinderen en ik wurmden ons er doorheen: ik reanimeerde de man en belde een ambulance, omdat ik intussen had gezien dat hij de injectienaald verkeerd in zijn halsslagsader had geplaatst en een overdosis had. Een paar weken later stond ik buiten koffie te drinken en keek naar de kinderen, spelend op straat. De man, die we bij de HEMA hadden gezien, kwam aangelopen en vloog me om de hals, ondertussen vertellend hoe gelukkig hij was dat ik hem had gered. Zijn leven had niet veel meer voorgesteld, vond hij. Na een moeilijke jeugd had hij een lieve vriendin gevonden, die vervolgens aan kanker overleed. Drugs werd zijn uitzichtloze uitlaatklep, en op de dag dat ik hem vond, had hij een bijna fatale dosis genomen. Nu was hij vastbesloten om alles anders te gaan doen: hij was afgekickt, kreeg een huisje en was bezig het leven op orde te krijgen. De kinderen en ik fleurden zijn huis op met kleurige tekeningen en spullen die hij dringend of minder dringend nodig had. ’s Avonds kwam hij regelmatig voorbij: ik gooide dan zijn was in de machine, intussen voetbalde hij met de kinderen op straat en zat urenlang te tekenen. En op een dag verdween hij volledig van de radar: zijn huis was leeggehaald, hij was nergens meer te bekennen. Anderhalf jaar duurde het, voordat ik hem weer zag. Hij had een fikse terugval gehad, zowel zijn vader als moeder waren overleden. Toch bleef hij de moed houden om er iets van te maken, wat hem de ene dag beter afging dan de andere dag.

Het derde verhaal dat ik Verloofde vertel, gaat over een man die heel gewoon in een flat woonde, op een dag even boodschappen ging doen en al snel telefoon kreeg van zijn buurman dat het nogal vreemd rook in hun appartementencomplex. Toen hij de deur van zijn flat openmaakte, zag hij één grote vlammenzee: alles was in nog geen twintig minuten tijd volledig verwoest door brand. Maanden later was het opgeknapt en opnieuw ingericht. De man maakte de deur van zijn flat open, en zag opnieuw één grote vlammenzee. In zijn verbeelding weliswaar, maar zijn angst (veroorzaakt door een posttraumatische stressstoornis) was zó groot, dat hij naar Venlo vluchtte en zijn bivak opsloeg bij de Jumbo. 

Daar zit hij nu, dag in, dag uit, in de regen, storm en kou. Soms krijgt hij wat eten, van het winkelende Jumbo publiek. Als het broodjes zijn, dan deelt hij die met de duiven die rond hem heen scharrelen. ‘Mijn beste vrienden’ noemt hij deze beestjes. Ik breng hem regelmatig kleding, eten, en ’s avonds een beker warme soep. Dan zit ik een half uurtje bij hem terwijl hij eet, intussen praten we wat. Aan moppen doen we niet, wel hebben we samen gelachen omdat hij waarschijnlijk de enige dakloze in Venlo is die momenteel met een überhippe roze poncho rondloopt. Die hebben de kinderen hem vorige week gebracht. Tja, dat krijg je als er alleen maar meisjes in huis wonen.  

Met een peinzende blik kijkt Verloofde me aan. ‘Wat een verhalen! Ik begrijp het nu wel een stukje beter, maar toch. Deze mensen maakten bepaalde keuzes, ik kan me nog steeds niet voorstellen dat ik het zover zou laten komen’. 

‘Daar heb je ook gelijk in’, geef ik hem als antwoord. ‘Dat komt omdat jij JIJ bent, en in jouw prille leven al hebt laten zien dat je heel goed in staat bent om met zwaarwegend verdriet om te gaan. Je moeder is overleden, dat is verschrikkelijk. Je mist haar telkens weer. En toch sta je er nog steeds en heb je moed gevonden om dat te doen wat je het liefste doet: zingen, mensen raken en een boodschap meegeven. Sommige dingen weet en ervaar je pas, als je het zelf meemaakt. Hoe je omgaat met iets, gekoppeld aan de leeftijd die je op dat moment hebt. Worden we echt geboren als een tabula rasa, een onbeschreven blad, of ligt je karakter al voor een deel vast bij je geboorte? Denk je dat deze mensen, toen ze geboren werden hebben gedacht: ‘later als ik groot ben ga ik door de straten van Venlo zwerven?’ Of denk je dat de gedachtegangen en daaraan inherente keuzes van deze mensen in de loop van hun levens zijn ontstaan? Door ervaringen, door met wie ze omgingen, door situaties die in hun optiek uitzichtloos leken, waardoor ze zijn gevlucht in wat dan ook?’

Verloofde drinkt zijn koffie op en zegt: ‘Ik weet het niet, ik denk er eens over na. Fijn, dat je dit zo met me deelt. Nog een ding, ik denk dat ik het antwoord wel weet, maar ik wil het toch aan je vragen. Waarom doe jij dit eigenlijk, het koken voor Team Soepbus Venlo, kleding en eten geven aan daklozen en zwervers. Waarom?’

‘Waarom niet?’ antwoord ik.

Dit wil ik delen!

AUTEUR

Luca van Wersch (1967) is niet onder één noemer te vangen. In 1992 kwam ze in Venlo terecht om films te maken. Ze gaf kookles, maakte danschoreografieën en schreef het boek 'Duizend Lijntjes in mijn hoofd', waarin ze fotografie en tekst op een poëtische manier verpakt. In 2008 werd er een tumor in haar hoofd ontdekt. Over alle ervaringen rondom ziek zijn schreef ze blogs voor Media Groep Limburg.

5 reacties

  1. Hoi luca
    Is een mooi verhaal over verloofde en zijn denkwijze .
    Maar verloofde moet en komt nog een hoop te leren in zijn leven .
    terwijl hulpbehoevende helaas in onze maatschappij veel alleen gelaten worden en hun weg zelf weer terug moeten vinden.
    Ieder zou zich eens af moeten vragen “waarom “???

  2. Begrijp je helemaal als aan je wordt gevraagd Waarom, juist, Waarom niet, en het is niet alleen soep maken, je doet zoveel meer terwijl sommige toekijken spring jij er tussenin.
    Soms red je een leven maar in ieder geval raak je de harten van velen.
    lieve groet…

Reageren