Oops! It appears that you have disabled your Javascript. In order for you to see this page as it is meant to appear, we ask that you please re-enable your Javascript!
 

Nacht

Het gerammel van een blikje, het waait heel zacht
Door mijn raam hoor ik de reizigers van de nacht
Zonder doel dwalen ze door de straat
Venlo bij nacht, het is al laat 

Ik word wakker van de stilte en heb even geen besef van tijd. Hoe je tijd ervaart is niet te meten in eenheden van seconden, minuten, uren of dagen. De laatste maanden lijken tergend langzaam voorbij te gaan, alsof mijn leven zich in een eindeloze droom afspeelt waarin vroeger, voordat ik ziek werd, nooit heeft bestaan. Mijn hele leven veranderde in één tel toen Dokter Drie vertelde dat er een tumor precies in het midden van mijn hoofd zat. En dat is tien jaren, vier maanden, zes dagen, twintig uren en 34 minuten geleden.  Een tijd waarin ik gebombardeerd werd met veel moeilijke woorden en talloze operaties, tumorremmende behandelingen, onderzoeken en scans onderging. Het volstaat met te zeggen dat het een ingewikkeld ziektebeeld is.

Ochtend 

De stad slaapt nog even, niemand ziet haar meer
De huizen, straten en pleinen zijn gedompeld in een laag van mist
Onbereikbaar is ze, alsof alle wegen naar haar zijn uitgewist
Onbereikbaar, net als ik 

De vroege ochtend heeft de nacht weg geplaagd. Slapen kan ik niet meer. Veegmachines denderen door de straat, mijn gedachten vliegen razendsnel heen en weer. Konden ze mijn hoofd maar leegvegen. Ziek zijn heeft alles te maken met het verlies van de controle over je lichaam en het aanpassen aan de nieuwe situatie. Spuiten, slikken, en weer doorgaan. Het lijkt alsof je niets meer zelf in de hand hebt, behalve dan je gedachten erover. En hoe goed dat in de afgelopen tien jaar is gegaan, de laatste vier maanden bevind ik me in een droomachtige cocon, ingesponnen door mijn eigen angsten en gedachten. Alsof ik in één keer besef wat ik achter de rug heb, nog steeds doormaak en daar niet meer tegen opgewassen ben. Naar buiten ga ik nauwelijks, ik sluit me af.

Middag

Ik sluit mijn ogen
Het is de wind die me doordringt
Er is geen vlinder te bekennen
Geen vogel meer die zingt      

Gewapend met koffie, pen en papier ga ik op het dakterras zitten, in de hoop mijn gedachtes op een rij te krijgen. Een pril zonnetje aan de hemel, het regent een beetje. Ik staar naar het lege vel papier, somber, moedeloos en denk: ‘Wat nu, Shakespeare? Wat heb je nog meer voor briljante ideeën voor je verdere leven?’

Niets. 

Ik kijk turend in de lucht. Waar blijft mijn Deus ex machina, de ‘goddelijke interventie’, die in (strip)boeken, films of in het theater uit het niets tevoorschijn komt en zorgt voor een onverwachte ontknoping? Waar blijft mijn Superman, Lassie, Megamindy of desnoods Jerom uit Suske en Wiske? God dan? Laat de braamstruik op het dakterras in brand vliegen, als teken, of stuur een stem die me vertelt hoe verder te gaan.

Niets.

Avond

Straten glimmend en zwart
Kleine regendruppels dansen in het rond
Een grote regenboog
neemt afscheid van de avondstond 

Winkels sluiten, gelach van personeel dat eindelijk naar huis kan. Een soort van rust keert in de straat, maar niet voor lang. In dat korte, stille moment, hangt zo’n zinderende toon, dat ik naar buiten ga. Het duurt niet lang voordat dikke druppels vallen, het is een heuse wolkbreuk die over Venlo jaagt. Ik loop langs Central, flarden van muziek dringen tot me door als de deur even open gaat:

Au revoir, adieu chérie, ik gaon noow nao hoés.
Veur genne franc blief ik in Periés, want Venlo is mien thoés.

Veur ieuwig en altiéd. Ik slik. En nog een keer. Tranen vermengen zich met regendruppels. De woorden van dit liedje raken me plotseling zó diep in mijn hart, dat de glazen stolp waar ik me de afgelopen maanden in bevond, in één klap breekt. Ik zie glashelder voor me wat is en niet is, wat was en zal zijn. Voor eeuwig en altijd mezelf.

Als ik later mijn straat in loop, is er niemand te zien. Ik kan het niet laten en spring met grote passen over de plassen, draai een pirouette en spring weer. Niemand die me ziet, behalve de hemel. Ik lach hardop. De schemering valt in de stad.

Ik heb haar gevonden, deze stad
Net als ik is ze stil
Niets liever wat ik wil
Dan hier gewoon te zijn

Dit wil ik delen!

AUTEUR

Luca van Wersch (1967) is niet onder één noemer te vangen. In 1992 kwam ze in Venlo terecht om films te maken. Ze gaf kookles, maakte danschoreografieën en schreef het boek 'Duizend Lijntjes in mijn hoofd', waarin ze fotografie en tekst op een poëtische manier verpakt. In 2008 werd er een tumor in haar hoofd ontdekt. Over alle ervaringen rondom ziek zijn schreef ze blogs voor Media Groep Limburg.

7 reacties

  1. Ha luca ja luca wij hebben dat ook mee gemaakt hier thuis helaas en ziek zijn poh shit man daar ben je elke dag mee bezig telkens weer maar hoe jij het doet respect topper

  2. Thea De Koning op

    Hallo Luca, wat ontzettend mooi en ontroerend kon mijn tranen niet bedwingen. Ik ken het gevoel en leef met je mee, in je goede en in de moeilijke momenten. Ik ben niet ziek,maar verlies doet ook zoiets met je…Ik stuur je liefde, kracht en de moed om door te gaan,want deze mensheid heeft mensen als jij NODIG.
    Daaaag

  3. Herman Brauckmann. op

    Weer prachtig geschreven Luca.
    Lees altijd graag jouw stukjes.
    Ik ben geboren en getogen in Venlo.
    Loop ook wel eens ‘s nachts na twee uur door de stad en geniet van de rust de stilte en de mooie oude panden en wordt dan ook wel eens melancholies.
    Gr. Herman Brauckmann.

Reageren